"Tot Voordeel en Genoegen"

  standerdmolen met gesloten voet te Alphen a/d Maas

Tot Voordeel en Genoegen (Foto: ansichtkaart)

standerdmolen Tot Voordeel en Genoegen

Bovenstaande opname is van direct na de verplaatsing in 1963.
Klik erop en de foto wordt vergroot.

De molen "Tot Voordeel en Genoegen" is één van de 46 overgebleven standerdmolens, die vanaf 1250 in Nederland werden gebouwd en behoort tot het oudste type windmolen.
De voet bij deze molen is ommuurd met een gemetselde achtkantige onderbouw, waarop een kegelvormig dak, de paraplu genoemd, is aangebracht, die met dakleer is bedekt.

Constructie van de onderbouw

De fundatie bestaat uit vier voeten (teerlingen) van metselstenen, Deze teerlingen werden twee aan twee in hoogte verschillend geplaatst en vaak zo dat ze naar de vier hoofdwindrichtingen wijzen, waarbij de hoog-teerlingen meestal Noord-Zuid staan en de laag-teerlingen Oost-West. Ook bij deze molen is dat het geval. Op elke teerling liggen twee zonneblokken, waarop twee balken (kruisplaten) kruiselings over elkaar komen. Over het kruispunt wordt de standerd geplaatst, diep ingekeept over de beide kruisplaten, zodat deze altijd zijn loodrechte stand zal behouden. De standerd is een eiken balk (meer een boomstam) van een ca. 75 cm in het vierkant, die even onder de kast een ronde vorm krijgt.
De naam standerdmolen is dus afgeleid van deze standerd. Vier paar schoren (steekbanden) dragen de standerd, De steekbanden vinden hun steun aan de uiteinden van de beide kruisplaten.
Het is de standerd, die het eigenlijke molenhuis, de zgn. kast, draagt. Maar dat niet alleen, want ook moet de kast om de standerd kunnen draaien (kruien) en het zware wiekenkruis torsen. In de kast bevindt zich bij een in vol bedrijf zijnde molen ook nog eens drie- à vierduizend kg graan en/of meel. Deze onderbouwconstructie heeft in vele honderden jaren bewezen aan het gestelde doel te beantwoorden.
Ten einde de kast in de loodrechte stand te houden, zijn er twee steunpunten nodig, die tevens draaiplaatsen zijn voor het op de wind zetten van het wiekenkruis.Het onderste steunpunt bevindt zich onder de kast en bestaat uit een vierkant balkwerk, zetel genaamd, dat gesteund wordt door de buitenste, langste steekbanden. Steekbanden, zetel en standerd vormen hier één geheel.
Over de zetel liggen twee zware balken, zgn. burriebalken of voeghouten, die bij het kruien van de kast over de zetel schuiven. Deze balken dragen voor 1/3 deel de kast. Hierover ligt de vloer van de eerste zolder. De standerd gaat hier door heen en is bovenaan als draaipunt bewerkt. Dit bovenste steunpunt, de stormpen, steunt de zeer zware draagbalk, de steenbalk, die dwars door de kast ligt. Onder de steenbalk bevindt zich ter versterking een mooi bewerkte brasem. Over beide uiteinden van de draagbalk liggen de twee steenlijsten, zware balken, die weer in de lengte langs de zijden van de kast liggen. Op de rechter steenlijst in de molen te Alphen aan de Maas zijn enige inscripties aangebracht, o.a. het jaartal 1812.
Op de daklijsten ligt aan de voorzijde via balkwerk de zware windpeluw, waarop de hardstenen halslager ligt die 4/5 van het gewicht van de molenas draagt, waarin aan de buitenzijde van de kast het wiekenkruis is bevestigd. Het zijn de voeghouten, de steenbalk en de steenlijsten, waaraan en waarom de kast is geconstrueerd. De kast heeft dubbele spoorstijlen. De borst van de kast is gepotdekseld.

Het luiwerk

Standerdmolens zijn altijd korenmolens; voor het malen van graan zijn zij het meest geschikt. Het molenaarsbedrijf speelt zich in de kast af. Het graan wordt met een luiwerk (hijswerk) opgehaald naar de tweede of naar de eerste zolder. Het meel wordt vanaf de eerste zolder weer afgegeven. Het luiwerk bestaat uit een houten as, die ca. 80 cm buiten het achterfront uitsteekt. Daarbuiten heeft die as nog een steunpunt als lager. Dit lager wordt in een balkwerk opgevangen, overdekt door een kapje, de koekoek. Bij iedere standerdmolen zal men dan ook zo'n luikapje aantreffen. De luias is in het kapje zuiver rond, voor het op- en afwinden van het luitouw of de luiketting. Het touw of de ketting gaat door luiken van het balkon.
De as is naar binnen zo lang, dat aan het eind een varkenswiel of sterrewiel met radiale kammen op de molenas of aswiel kan grijpen. Daarnaast is het lager, dat op een op en neer beweegbare balk, als hefboom, is gemonteerd. Deze balk is met een touw (stuurtouw) op beide verdiepingen te bedienen: de molenaar kan het hijstouw laten werken door met het stuurtouw de kammen van het kleine kamwiel, ook wel "varken" genoemd, in die van het aswiel te trekken, waardoor het luitouw oploopt. Op de luias zit nog een extra groot wiel, waarop op de omtrek ijzeren gaffels zijn gespijkerd. Over deze vorken of gaffels loopt een touw zonder eind tot even boven de eerste zolder. Dit touw (omlooptouw) is noodzakelijk om de luias beginsnelheid te geven, als het luiwerk bij enige snelheid van de molen ingeschakeld wordt (bij kamwielaandrijving). Anders zouden de kammen van het varken de kammen van het aswiel op den duur te veel beschadigen. Het omlooptouw is ook nodig om zakken graan te kunnen ophalen als de molen niet draait. Dan moet de molenaar het omlooptouw met de hand bedienen. Dat is niet gemakkelijk, ook al is de diameter ongeveer achtmaal groter dan de luiklos. Al is de uitgeoefende kracht 1/8 van het gewicht van de zak, de molenaar moet het omlooptouw een weg laten afleggen, die achtmaal langer is dan die van de last. Het omlooptouw is ook nodig voor het aflaten (afschieten) van de zakken meel. Bij een draaiende molen kan het luitouw onbelast door de molen worden opgewonden, maar bij het afschieten moet het omlooptouw een remmende werking worden gegeven.

Constructie van de staart

De staart van de standerdmolen heeft tot doel de kast te kruien met een kruihaspel of lier. Voorts dient de staart, opgehangen aan de achterzijde van de kast door middel van de staartbalk en nonnen of kandelaars, een tegenwicht te vormen voor het zware wiekenkruis. De trapbomen dienen tevens voor het bevestigen van de traptreden met leuning.
De molen te Alphen aan de Maas heeft een staartconstructie met galerijbalken, achterzomer, schoren en een rechte staart. De staartconstructie is voorzien van een galerij met spruitbalk en geschoorde trapbomen, met aan de onderzijde een kruibank met kruias en kruihaspel. In de galerij met staketsel (hekwerk) is een luik aangebracht t.b.v. het luiwerk.
Er zijn dubbele hangbomen (kandelaars of nonnen), die samen met de treeplanken de kruibank vormen.

De stenen en hun aandrijving

De molen heeft een bijzonder drijfwerk want inplaats van twee koppels stenen, waarmee de meeste standerdmolens zijn ingericht, heeft deze molen drie koppels stenen.
De achterste steen, een 17der op de tweede zolder, ligt boven de standerd en wordt aangedreven door het grote aswiel, dat aan twee zijden haakse tandkransen heeft. De achterste tandkrans grijpt in een rondsel, schijfloop of lantaarn, gemonteerd op een spil (het staakijzer) van de achterste steen. Dit staakijzer heeft onderaan een dubbele klauw, waarvan de twee klauwen de steenrijn aangrijpen en zo de lopersteen in draaiende beweging brengen.
De voorste twee stenen, het dichtst bij het wiekenkruis, liggen op de eerste zolder. Omdat men het meel in zakken moet kunnen aftappen, liggen de twee koppels stenen op een verhoogd vloertje, gesteund door zwaar balkenwerk, een dubbele maalstoel; één koppel is opengelegd en de loper is met het scherpsel, bilsel genaamd, naar boven gekeerd.
Voor de aandrijving van deze beide koppels stenen vóór de standerd, drijft de voorste tandkrans van het aswiel een rondsel aan, dat nu op een korte houten staande as (koningspil) is aangebracht. Op deze koningspil is direct onder het rondsel een recht kamwiel (spoorwiel) gemonteerd. De kammen van het spoorwiel grijpen nu in de rondsels van twee staakijzers, die beide stenen op de dubbele maalstoel aandrijven.
Tussen de vloer van de eerste zolder en de lange burriebalken bevindt zich bij de standerdmolen nog een ruimte onder de maalstoel die de hel wordt genoemd. Deze hel verschaft ruimere gelegenheid tot het uitvoeren van werkzaamheden aan de pasbalken en taatspotten van de steenspillen.
Het aswiel is aangebracht op een houten molenas, lengte 5,30 meter, waarin een gietijzeren askop, fabrikaat Merkx is aangebracht. De pen draait in een broeksteen.
De molen heeft een Vlaamse vang met vangtrommel en vanghaak.
De geklonken roeden zijn van ijzer, 23 meter lang en Oud-Hollands opgehekt.
Rond de molen staan kruipalen waar omheen de ring van de kruiketting wordt gelegd, waarmee de molen op de wind wordt gekruid.

Eigenaren

In 1798 heeft P. Dam de molen en het molenaarshuis laten bouwen en bleef tot 1825 eigenaar. Van ca.1825 tot ca.1850 was de molen in het bezit van A. Peters; van ca. 1850 tot ca. 1860 van Van Brink en van ca. 1860 tot 1978 van de Fam. van Dreumel.

In 1963 is de molen tijdens een omvangrijke restauratie 25 meter verplaatst en staat nu tegen de noordelijke winterdijk van de Maas, met uitzicht op de nabij gelegen stuw van Lith.
De molen is nu eigendom van de gemeente West Maas en Waal en wordt beheerd door vrijwillige molenaars, die er veevoer mee malen.

De molenaars op de standerdmolen "Tot Voordeel en Genoegen" zijn C. van Stiphout en Y. H. Li.

Voor de bovenstaande tekst is dankbaar gebruik gemaakt van het hoofdstuk "Technische beschrijving van de Gelderse molens", door J. H. Rijnenberg (blz. 186 t/m 188), in het "Gelders Molenboek", samengesteld in opdracht van het Provinciaal bestuur van Gelderland, Walburg Pers, 1969. Op blz. 193 t/m 198 van dit boek zijn een negental opmetingstekeningen van de standerdmolen "Tot Voordeel en Genoegen" opgenomen.

De molen heeft een eigen homepage: Tot Voordeel en Genoegen


  Zie ook de pagina met 17 foto's van het 188 cm hoge model van deze standerdmolen dat op de waaierzolder in de molen De Liefde te Uithuizen staat.


boek De standerdmolen

    Een aanbevelenswaardig boek dat een gedegen
    informatie over dit type molen geeft is:     "DE STANDERDMOLEN. Bouw, geschiedenis,
    verschijningsvormen en bedieningswijze van
    Nederlands oudste windmolentype".

    Auteurs: Erik Tijman, Jan Scheirs en Dick Zweers.
    In 1994 uitgegeven bij Matrijs te Utrecht.

    Gebonden, formaat 21,5 x 30,5 cm, 135 pagina's
    en rijk geïllustreerd. ISBN 90-5345-060-2.


Vermelding op de Nederlandse molendatabase: Tot Voordeel en Genoegen en op de database van De Hollandsche Molen: Tot Voordeel en Genoegen.


Deze pagina is onderdeel van   de-liefde-logo   de homepage van B. D. Poppen.

owl

updated           -       Copyright © 1999/2014             up